Effecten van probiotica op urogenitale infecties
Vaginale en urineweginfecties
Niet alleen in het maagdarmkanaal komen bacteriën voor; ze zitten ook in de urinewegen en vagina. De 'urogenitale' microflora van gezonde vrouwen omvat ongeveer 50 bacteriesoorten, waarbij lactobacillen in de meerderheid zijn. Deze zorgen voor een zuur milieu, wat beschermt tegen pathogene bacteriën. Dat is echter niet altijd succesvol: bij een infectie aan urinewegen of vagina (vaginitis) hebben schadelijke bacteriën zich daar ondanks deze natuurlijke barrière genesteld. Bij vaginose is de balans van de vaginale microflora verstoord door een bacterie of schimmel (bijv. Candida albicans). Probiotica kunnen een rol spelen bij het in balans houden van de urogenitale microflora en daarmee een infectie of verstoring helpen voorkomen. Probiotica kunnen zowel locaal als oraal toegediend worden. Bekend is namelijk dat oraal ingenomen lactobacillen terechtkomen in de urogenitale microflora (Reid, 2001). Van verschillende probiotische bacteriën (lactobacillen en bifidobacteriën) is in het laboratorium een beschermend effect aangetoond tegen pathogene bacteriën (Hütt, 2006).
Urineweginfecties
Na luchtweginfecties zijn urineweginfecties de meest voorkomende infecties. Meestal betreft het een blaasontsteking; naar schatting ruim 700.000 mensen per jaar – vooral vrouwen – worden door een urineweginfectie getroffen (RIVM, 2007). Klachten variëren van pijn bij het plassen tot buikpijn, koorts en algehele malaise. Een urineweginfectie wordt met antibiotica behandeld. Bij terugkerende urineweginfecties (bij bijna 20% van de vrouwen en bij ruim 25% van de mannen wordt de diagnose acute urineweginfectie binnen een jaar opnieuw gesteld) kunnen probiotica uitkomst bieden. Gedacht wordt dat lactobacillen uit probiotica een gunstig effect hebben op de balans van de urogenitale flora. En dat bemoeilijkt innesteling van schadelijke bacteriën. Er zijn inmiddels diverse studies uitgevoerd met gunstige resultaten. Bepaalde lactobacillen blijken het meest effectief bij de preventie van terugkerende urineweginfecties (Lactobacillus rhamnosus GR-1, Lactobacillus reuteri RC-14 en B-54). (Reid, 2006; Falagas, 2006).
Vaginose
Jaarlijks heeft circa 6% van de vrouwen last van vaginose (Dekker, 1998). Typische klachten zijn jeuk en een witte, brokkelige afscheiding. Bij ruim een derde is een vaginale infectie met de gist Candida albicans de boosdoener. Bij ongeveer 20% is de vaginale microflora verstoord waarbij bepaalde bacteriën (als Gardnerella vaginalis) in grotere aantallen voorkomen dan de normaal aanwezige lactobacillen. De precieze oorzaak van deze bacteriële vaginose is niet bekend. Het kan geen kwaad en gaat meestal vanzelf over; soms pas na enige weken. Wassen met zeep werkt averechts, omdat zeep het vaginale slijmvlies kan irriteren (Nederlands Huisartsen Genootschap, 2005). Kleinschalige studies laten een beschermend effect zien van probiotica tegen bacteriële vaginose. In een onderzoek onder 40 Nigeriaanse vrouwen werd oraal ingenomen probiotica vergeleken met een locaal aangebracht medicijn (Metronidazole). De probiotica (Lactobacillus rhamnosus GR-1 en Lactobacillus reuteri RC-14) bleek zelfs effectiever dan het medicijn. In 90% van de gevallen verdween de bacteriële vaginose bij gebruik van probiotica (Anukam, 2006).
«Terug